Ik zie ons nog zitten.
geknield, tegenover elkaar
ieder aan een zijde van de
regel veengrond, in het midden
een touwtje, gespannen over
de breedte van de akker,
rechttoe, rechtaan…

We kijken elkaar niet aan,
maar onze handen vinden
elkaar licht in hetzelfde
vinnige, ingesleten ritme
kuiltje graven, bol erin,
beetje aandrukken en
weer door…

Na iedere zevende bol
kruipen we zijwaarts verder,
gespiegeld, in een vloeiende,
beweging, tot de bollenhor
ons dwingt om op te staan,
de voorraad moet aangevuld
en geschud…

Ik luister naar je
als je vertelt over vroeger
over opa, over de akkers, en
over wat je had kunnen zijn,
als jou ooit die vraag gesteld
was, en als geld er niet toe
had gedaan…

Ik zwijg, jij denkt na
wolken kabbelen in de sloot
als je zegt dat het eigenlijk
ook niet uitmaakt omdat
kweker zijn toch het
mooiste vak is dat
er bestaat…

Ik geloof je graag en zie
dat je aan het einde van
de regel, de door samen ons
geplante bollen, net zo zachtjes
toedekt met grond, als je mij
’s avonds toestopt voor het
slapen gaan…

Van groenteteelt naar bollen en bloemen

Eind negentiende eeuw startte een aantal tuinders in Roelofarendsveen naast groenteteelt ook met het telen van bollen en bloemen: Hein Loos haalde in 1880 de eerste narcissen, tulpen- en krokusbollen naar de Veen toe. Het was in alle opzichten pionieren: van de teelt tot en met de afzet. Hoewel de belangstelling voor de bloementeelt met de jaren (en de crisis in 1927) groeide, stapten de meeste groentekwekers pas 70 jaar later volledig over op bloemen.

Het planten van tulpenbollen (beschreven in het gedicht) wordt ook vandaag de dag nog met de hand gedaan. Met als belangrijkste verschillen dat de bollen nu in water geplant worden (en niet meer in veengrond) en dat de planters op stahoogte werken, binnen. Het verdere broeiproces is inmiddels vergaand gemechaniseerd en geautomatiseerd.

De tuindersbedrijven zijn lange tijd van vader-op-zoon overgedragen; de oudste zoon uit een gezin kon nog kiezen tussen een carrière in de kerk (pastor) of de tuin, de toekomst van de zonen daarna lag feitelijk op voorhand al vast. Het was zoals het was.

 

Transportmogelijkheden: van de boot tot de fiets

Tot en met de ruilverkaveling (1963) vond het transport van de groenten, de bollen en de bloemen in dit gebied bijna uitsluitend over water plaats: per praam. Het transport naar nationale en internationale afnemers verliep via het water, de trein (Roelofarendsveen had tot 1936 een station), de weg en de lucht.

De allereerste geoogste tulpen werden op de fiets naar afnemers in Haarlem, Amsterdam en Leiden gebracht door Jan Huigsloot. In de volksmond werd hij Jan Stol genoemd, naar de beroemde baanwielrenner uit die tijd.

De allereerste geoogste tulpen werden op de fiets naar afnemers in Haarlem, Amsterdam en Leiden gebracht door Jan Huigsloot, in de volksmond Jan Stol genoemd naar de beroemde baanwielrenner uit die tijd. De Veense Jan Stol was nog geen 18 jaar en een fanatiek lid van de befaamde plaatselijke wielerclub ‘Het Stalen Ros’. Hij werd gesponsord door ‘Van Bassen’ oftewel het transportbedrijf van Bas van der Meer. Hoogstwaarschijnlijk was de tulpenoogst nog zo klein dat Bas er zijn auto’s niet voor in wilde zetten. Omdat hij zijn klanten ook niet wilde teleurstellen, spande hij Jan Stol voor zijn ‘karretje’. Hij betaalde Jans fiets en in ruil daarvoor bracht het plaatselijke fietstalent tijdens zijn training de bloemen naar de door de tuinders opgegeven bestemmingen.


Mede mogelijk gemaakt door Kaag en Braassem Promotie en door de Cofinancieringsregeling Rijn- en Veenstreek en de provincie Zuid-Holland. Concept en fotografie: Windkracht-10.nl Erma Rotteveel.  Tekstconcept: Annemieke de Man